Filmen doven anders dan horenden? Daarover ging het vrijdag 24 juni tijdens een studiemiddag over filmesthetiek. Filmcriticus André Waardenburg hield een onverbiddelijk betoog.
van onze Redactie
Na 48 uur lang dovenfilms kijken, weet NRC-recensent André Waardenburg het zeker: ‘Als het gaat over filmesthetiek, bestaat er niet zoiets als dovencinema.’ Terwijl een internationale en een Nederlandse tolk om de pratende André heen gebaren en een schrijftolk lustig typt, kijkt het (grotendeels dove) publiek hem verbouwereerd aan.
Emotie in een close-up
‘Dovenfilms zitten vol met conventies’, zo start André zijn betoog. ‘Ze grijpen vaak terug naar de stille film, wat zich bijvoorbeeld uit in een expressieve acteerstijl. De tussentitels die in zwijgende cinema heel gangbaar waren, zijn in dovenfilms vervangen door ondertitels. En dan is er nog shotgrootte.’ André legt uit: ‘In traditionele filmtaal praat je over een totaalshot, dat een personage van top tot teen toont, een medium shot, van middel tot hoofd, en de close-up. Doorgaans volgen die elkaar op naarmate emotie toeneemt. Je zou denken dat de close-up in deaf cinema niet voorkomt, maar ik zag het juist heel vaak. Dat is helemaal niet gek, want emoties worden in een close-up goed getoond. Wat je in een close-up verliest aan gebarentaal, win je aan gezichtsuitdrukking.’
De kunst van het weglaten
Een andere filmtaal die André in veel dovenfilms herkent is die van Europese arthouse. Volgens André volgen veel dovenfilms dezelfde esthetische regels, en zetten de makers zich op dezelfde manieren af tegen Hollywood. Ter illustratie toont André Deafness, een korte dialoogloze film van de Oekraïense regisseur Myroslav Slaboshpytskiy. In eerste instantie lijkt de film door het gebrek aan dialoog af te wijken van ‘horende films’, maar volgens André volgt het exact de regels van Europese arthouse. In de film zien we een jongen die in een auto wordt belaagd door politie-agenten. We zien geworstel en monden bewegen; er wordt iets gezegd maar zowel de doven als de horenden in de zaal weten niet wat. André: ‘Een typische truc uit kunstzinnige films: niet alles laten zien. De beelden, gezichtsuitdrukkingen en universele gebaren tonen net genoeg om dat zelf in te kunnen vullen. Het is de kunst van het weglaten, en een heel Europese manier van vertellen.’
Zo oud als cinema zelf
Een poging zich te onderscheiden als dove filmmaker, deed Wayne Betts vorig jaar tijdens een TEDx-conferentie. In dit filmpje zie je hoe hij claimt nieuwe filmregels te hebben bedacht. Maar André betwijfelt dat. ‘Wayne Betts zegt dat hij vernieuwend werkt door bijvoorbeeld altijd oogcontact te houden tussen de personages, maar dat is een eeuwenoude filmregel. Het heet eyeline match, en als dat niet goed wordt gedaan, weet je überhaupt niet waar je moet kijken. Het is filmtaal zo oud als cinema zelf. Het enige nieuwe is dat Wayne Betts het met een steady cam doet.’
Tot slot laat André The Deaf Man zien, een korte film van regisseur David Kurs over een dove man die door een verteller achter de camera wordt becommentarieerd. Het is een film over vooroordelen, en het gebruik van zwart-wit staat symbool voor de twee verschillende werelden van doven en horenden. André is onder de indruk. ‘Maar is dit een mooi voorbeeld van dovencinema?’, vraagt hij. ‘Ik zou zeggen: het is een mooi voorbeeld van experimentele cinema.’
